Categorie archief: Holos #3.4

Verband gevonden tussen dementie en luchtverontreiniging

Er is verband tussen het voorkomen van dementie en luchtvervuiling in woonwijken. Dat concluderen Britse wetenschappers. Zij voerden aan de hand van gegevens van 75 huisartsenpraktijken in Groot Londen een retrospectieve cohort studie uit. Betrokken bij het onderzoek waren 130.978 volwassenen in de leeftijd van 50 tot 79 jaar die op 1 januari 2004 geregistreerd stonden bij deze praktijken en geen geschiedenis hadden van dementie of verpleeghuiszorg.

Primaire en secundaire uitkomstmaten betroffen een eerste diagnose van dementie, zo mogelijk gespecificeerd als Alzheimer en vasculaire dementie, in de periode 2005 tot 2013; de gemiddelde concentratie van stikstofdioxide, fijnstof en ozon gedurende 2004; verkeersdichtheid, afstand tot de belangrijkste verkeersweg en nachtelijke geluidsvolumes. De maten van blootstelling werden anoniem via postcodes gelinkt aan klinische gegevens. Hazard ratio’s van Cox modellen werden aangepast voor leeftijd, geslacht, etniciteit, roken en BMI, en verder nog voor achterstand en comorbiditeit.

Van alle deelnemers kregen 2181 personen (1,7%) de diagnose dementie (39% Alzheimer, 29% vasculaire dementie). Er werd een positieve relatie gevonden tussen dementie en blootstelling aan stikstofdioxide en fijnstof, niet aan ozon. Volwassenen in gebieden met de hoogste stikstofdioxide concentraties hadden een significant grotere kans op dementie dan die in gebieden met de laagste concentraties. Het risico van dementie nam eveneens significant toe bij blootstelling aan hoge concentraties fijnstof, in ’t bijzonder met verkeer als bron, en nachtelijk lawaai. Risicovergroting door blootstelling aan nachtelijk lawaai bleek echter statistisch niet significant. De gevonden relaties waren consistenter voor Alzheimer dan voor vasculaire dementie.

De onderzoekers stellen bewijs te hebben gevonden dat er verband is tussen de luchtverontreiniging in een woongebied en gediagnosticeerd worden met dementie, een verband dat niet door bekende verstorende variabelen verklaard wordt.

I.M. Carey et al., Are noise and air pollution related to the incidence of dementia? A cohort study in London, England. BMJ Open 2018;8:e022404. doi:10.1136/bmjopen-2018-022404.

Artsen: gebrek aan steun bij euthanasie dementerenden

Ook mensen met dementie kunnen in Nederland in aanmerking komen voor euthanasie. In 2017 werd 166 keer euthanasie uitgevoerd in gevallen waarin dementie de grondslag van ‘ondraaglijk lijden’ was. Drie keer ging het om gevorderde dementie.

In geval van dementeren is het besluitvormingsproces bij een verzoek tot euthanasie ingewikkeld. Vanwege de cognitieve achteruitgang is het lastig te bepalen óf, en zo ja wanneer euthanasie gerechtvaardigd en wenselijk is. Vooral huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde kampen met dit probleem.

Twee jaar  geleden uitte een grote groep artsen in een paginagrote advertentie in landelijke dagbladen hun zorgen. Aanleiding om aan de Radboud Universiteit in Nijmegen een honours class op te zetten om te exploreren aan welke steun huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde behoefte hebben.

Daartoe werden bij elf artsen semi-gestructureerde face to face interviews afgenomen. De interviews werden vervolgens met behulp van direct content analysis geanalyseerd.

Het ging om evaluatie van het euthanasieverzoek, ervaren moeilijkheden, expertise, support, en coping en emoties. Huisartsen bleken zich vaak eenzaam te voelen bij een euthanasieverzoek op grond van dementie. Sommige artsen voelden zich onder druk gezet door de familie om euthanasie uit te voeren. Als gevolg van afnemende cognitie viel het hen vaak moeilijk om een gesprek over dit onderwerp te voeren met de patiënt, met name om de ondraaglijkheid van het lijden en de actuele doodswens helder te krijgen en alternatieven voor euthanasie te bespreken. Vaak werd genoemd dat, als ze mee konden gaan in het euthanasieverzoek, het moment bepalen van de daadwerkelijke uitvoering enorm lastig is; veelal gaat het bij ondraaglijk lijden in feite om de vrees voor toekomstig lijden.

De wetgeving met betrekking tot deze groep patiënten werd als weinig richting gevend ervaren. Over rol en steun van SCEN-artsen waren de meningen verdeeld. Sommige geïnterviewden waardeerden expertise en advies rond wetgeving van SCEN-artsen, terwijl anderen een weinig kritische houding opmerkten die het gevaar van normalisering en institutionalisering van euthanasie met zich mee zou brengen. Vooral huisartsen gaven aan dat een moreel beraad of consultatie van een geestelijk verzorger, psycholoog of ethicus in de eerste lijn niet vanzelfsprekend is, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Specialisten ouderengeneeskunde voelden zich gesteund door het interdisciplinaire team waar ze in werken.

De onderzoekers concluderen dat huisartsen behoefte hebben aan meer steun in de vorm van duidelijker wetgeving, de mogelijkheid van een moreel beraad en consultatie van andere disciplines zoals een geestelijk verzorger.

R. Bouwmeester et al., Euthanasia in Dementia Cases; what are experiences and needs of Dutch physicians?  An Interview study. (Nog niet gepubliceerd.)

ACP bij dementie: rekening houden met onzekerheid

Advance care planning (ACP) beoogt te bereiken dat de zorg gedurende ernstige en chronische ziekte is afgestemd op iemands waarden, voorkeuren en doelen. Echter, internationaal is bij 60% van de mensen met dementie geen sprake van ACP.

Vanuit welke perspectieven benaderen mensen met dementie en hun zorgverleners ACP en levenseindezorg? Om die vraag ging het in een literatuuronderzoek: 84 kwalitatieve studies, die bij elkaar betrekking hadden op 389 mensen met dementie en 1864 zorgverleners, werden systematisch onderzocht en thematisch samengevat.

Uit de studies kwamen de volgende vijf thema’s naar voren: vermijden van ontmenselijkende behandeling en zorg (bij elkaar blijven, opname uitstellen, de last van futiele behandeling weigeren); confrontatie met emotioneel moeilijke gesprekken (benoemen van de dood, niet bereid zijn cognitieve achteruitgang onder ogen te zien, gevoel op een doodlopende weg te zitten); omgaan met existentiële spanningen (accepteren van onvermijdelijke achteruitgang en dood, vrees om verantwoordelijk te zijn voor de oorzaak van overlijden, verminderen van beslissingsverantwoordelijkheid); bepalen van persoonlijke autonomie (worstelen met niet bekende voorkeuren, afhankelijk zijn van wat de zorgverlener wil, rechtvaardigen van behandelingen voor achteruitgang van gezondheid); en gebrek aan vertrouwen in de gezondheidszorg (bekwaamheid en kennis van artsen betwijfelen, maken van ongefundeerde keuzes, geen toegang hebben tot hospice en verstoken zijn van steun bij het levenseinde).

Mensen met dementie en hun verzorgenden voelen zich onzeker als het gaat om het nemen van beslissingen in het kader van advance care planning en levenseindezorg, concluderen de onderzoekers. ACP-strategieën die rekening houden met die onzekerheid kunnen mensen met dementie en zorgverleners steunen en persoonsgerichte zorg versterken.

M. Sellars et al., Perspectives of people with dementia and carers on advance care planning and end-of-life care: A systematic review and thematic synthesis of qualitative studies. Palliat Med. 2018 Nov; https://doi.org/10.1177/0269216318809571

Tool voor analyse en verbetering van samenwerking

VISIE

 Antoinette Bolscher ontwikkelde moreel ecologisch perspectief

U zult het vast herkennen, samenwerking kan meer of minder soepel verlopen. Wat kan bijdragen aan goed samenwerken? Dat was het onderwerp van mijn onderzoek, waar ik 29 oktober jl. op ben gepromoveerd.

We werken samen om iets te realiseren. Bijvoorbeeld goede ouderenzorg. Om die zorg te bieden, hebben we elkaar nodig. Professionals werken samen, verschillende zorgorganisaties werken samen. We werken samen omdat we van elkaar verschillen – ieder heeft een eigen deskundigheid, een eigen inbreng. Juist door de verschillen vullen we elkaar aan. Maar de verschillen kunnen ook spanningen geven. Ieder heeft een eigen taal, eigen kaders, eigen specifieke belangen, naast het gezamenlijke belang waarvoor we samenwerken. En als er verschillen zijn, is er vaak ook sprake van macht en afhankelijkheid. Wat mij intrigeert is: hoe kunnen we, met die inherente verschillen en spanningen, dan toch goed, in de zin van moreel goed, samenwerken? En daarmee bedoel ik: hoe doen we in samenwerking het goede op een goede manier?

Ik denk dat dit morele perspectief, naast andere perspectieven, om een aantal redenen van belang is:

  • Wat er moreel op het spel staat in de samenwerking, het gemeenschappelijke en maatschappelijke belang, verdwijnt nogal eens van tafel of raakt ondergesneeuwd onder bijvoorbeeld economische of strategische belangen. En dat gaat dan ten koste van bijvoorbeeld de mensen die zorg nodig hebben.
  • Ook zie ik dat er vaak weinig aandacht is voor het proces – hóe werken we samen, werken we samen op een manier die deugt en deugd doet? We modderen vaak maar door, terwijl we wellicht beter kunnen, wat ook meer voldoening zou geven.
  • De morele dimensie kan ook heel lastig zijn – het gaat vaak om afwegingen wat nu het goede is om te doen. Dat kan lastig zijn omdat er vaak meer tegelijk op het spel staat. Die spanningen en dilemma’s blijven vaak impliciet, onbewust en onuitgesproken. Maar je voelt ze wel als een knoop in je buik.

Mijn proefschrift zegt niet precies wat het moreel goede is in samenwerken. Want wat goed is, kan alleen in de specifieke situatie, met elkaar, worden besproken. En de meningen kunnen ook verschillen, dat is niet altijd eenduidig; dat vraagt gesprek met elkaar. Normatieve professionalisering, het gedachtengoed waarbinnen ik mijn onderzoek heb gedaan, geeft daarbij wel richting – het gaat om: goed werk, met en voor anderen, in het licht van een rechtvaardige samenleving (H. van Ewijk, Kunneman, 2013).

Antoinette Bolscher

Vanuit dit discours van normatieve professionalisering heb ik een moreel ecologisch perspectief ontwikkeld om goed samenwerken te onderzoeken en daaraan bij te dragen. Kern van dit perspectief is dat er inhoudelijk in de samenwerking moreel iets op het spel staat – een maatschappelijk belang (bijvoorbeeld goede zorg). ‘Wat moreel op het spel staat’ kan van tafel verdwijnen. Dan kan het nodig zijn om daarvoor op te komen: het belang van ‘wat moreel op het spel staat’ moet dan worden gesteld (Nap, 2012), of er moet waardig voor worden gestreden (J. van Ewijk, 2013). In het proces, de wijze van samenwerken, gaat het erom of je ziet hoe je elkaar kunt aanvullen en wat je van elkaar nodig hebt in de samenwerking; dat vraagt aandachtige afstemming op elkaar (Tronto, 1993, 2013). Het kan ook nodig zijn om tegenspel te bieden aan de ander, bijvoorbeeld als de ander onverschillig is over ‘wat moreel op het spel staat’ of zijn macht misbruikt; dan is het nodig om moreel weerwerk te bieden, om macht ‘ten goede’ in te zetten (Nap, 2015), om een ander vreedzaam te begrenzen (Kunneman, 2012) of om vrijmoedig tegen te spreken (Foucault, 2011).

Het ecologische in het perspectief maakt zichtbaar dat er behalve samenwerking ook concurrentie en onderlinge strijd kan zijn, er zijn spanningen en tegenstellingen. En vanuit ecologisch perspectief gaat het niet alleen om de kwaliteit van de relaties en interacties in het hier en nu. Wat we hier en nu doen werkt door in omringende relaties en naar andere niveaus in een organisatie of samenwerking. Dat betekent dat relaties en interacties elkaar kunnen versterken. Juist daarom is het morele zo belangrijk en dat is ook de kern van mijn moreel ecologisch perspectief: het morele kan een verbindende werking hebben in de relaties en zo de samenwerking en het netwerk van samenwerking versterken. Die doorwerking in relaties en interacties zien we vaak niet direct zelf en zijn we ons lang niet altijd bewust. Maar dat dat zo kan werken, heb ik gezien in mijn onderzoek.

Mijn moreel ecologisch perspectief is een analysetool gebleken om samenwerking te onderzoeken, beter te begrijpen en te beschrijven. Én is een hulpbron gebleken om bij te dragen aan goede samenwerking. Mijn conclusie is dat het een waardevol perspectief is, dat aandacht verdient, juist in een tijd en situatie waarin ‘wat moreel op het spel staat’, goede zorg, of andere maatschappelijke belangen, onder druk staan en samenwerking complexer wordt.

Antoinette Bolscher

Links:
https://eburon.nl/product/goed-samenwerken-in-moreel-ecologisch-perspectief/
http://www.antoinettebolscher.nl/

Literatuur:

Ewijk, Hans van, & Kunneman, Harry (red.) (2013), Praktijken van normatieve professionalisering. Amsterdam: SWP.

Ewijk, Jan van (2013). Het belang van ‘waardig strijden’ voor normatieve professionalisering. In Hans van Ewijk & Harry Kunneman (red.), Praktijken van normatieve professionalisering (pp. 359-387). Amsterdam: SWP.

Foucault, Michel (2011). De moed tot waarheid: Het bestuur van zichzelf en de anderen II: Colleges aan het Collège de France (1983-1984). Amsterdam: Boom.

Kunneman, Harry (2012). Het belang van moreel kapitaal in zorg en welzijn. Paul Cremerslezing 2012. Rijswijk: Stichting Paul Cremers.

Nap, Jan (2012). Vragen naar goed politiewerk: Belang-stellend ontwikkelen van de alledaagse praktijk. Een proeve van normatieve professionalisering. (Proefschrift). Politieacademie. Boom Lemma.

Nap, Jan (2015). Macht ten goede. Waardenwerk, 16(61), 8-17.

Tronto, Joan C. (1993). Moral boundaries: A political argument for an ethic of care. New York: Routledge.

Tronto, Joan C. (2013). Caring democracy: Markets, equality, and justice. New York University Press.

Leidraad LHV over zorg in kleinschalige woongemeenschappen

Huisartsen trekken aan de bel omdat de medische zorg in de steeds populairdere kleinschalige woonzorginstellingen op hun bord terecht komt, terwijl de complexiteit ervan de huisartsenzorg overstijgt en randvoorwaarden niet zijn geregeld. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) is nu met een leidraad gekomen.

Vaak gaat het bij bewoners van de kleinschalige woonzorggemeenschappen om ouderen met dementie of gedragsproblemen, patiënten die vroeger op de psychogeriatrische van het verpleeghuis verbleven. Volgens de huisartsen zijn wonen en welzijn er goed geregeld, maar schiet de zorg er veelal bij in. Doordat de beschikbaarheid van een specialist ouderengeneeskunde slecht of zelfs helemaal niet is geregeld, komt de verantwoordelijkheid voor de medische zorg volledig bij de huisarts terecht.

Al in maart waarschuwden LHV en Verenso, wetenschappelijke vereniging van specialisten ouderengeneeskunde, de Tweede Kamer dat patiënten noodzakelijke zorg mislopen. In de tussentijd blijkt er weinig veranderd.

De leidraad Medische zorg voor ouderen in (kleinschalige) woonzorginstellingen staat huisartsen bij in de discussie over het leveren van zorg en helpt hen bij het maken van realistische afspraken met kleinschalige woonzorginstellingen.

Kankerpatiënt na ‘slecht nieuws’ te vaak in de kou

Ziekenhuizen laten ongeneeslijk zieke kankerpatiënten te vaak in de kou staan. Dat blijkt uit een onderzoek van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiënten organisaties (NFK) onder 654 kankerpatiënten die weten dat ze niet meer beter worden.

Van de ondervraagden geeft 63 procent aan dat ze na het ‘slecht nieuws gesprek’ verder zijn geholpen door het ziekenhuis, vooral met een behandeling om de kanker te remmen, contact met een vast aanspreekpunt, advies over lichamelijke klachten of behandeling van lichamelijke klachten (bijvoorbeeld pijnbestrijding). Patiënten vinden die hulp erg belangrijk. Toch geeft 28 procent aan niet verder te zijn geholpen door het ziekenhuis. Van deze groep zegt 57 procent hier wel behoefte aan gehad te hebben. Die behoefte geldt vooral een vast aanspreekpunt in het ziekenhuis, steun voor naasten en informatie over psychische en lichamelijke klachten.

Ruim zes op de tien patiënten hebben op enig moment behoefte om te praten over hun levenseinde, zo blijkt verder uit het NFK-onderzoek. Vooral met hun partner en kinderen, maar ook met hun huisarts en behandelend arts in het ziekenhuis. De belangrijkste onderwerpen daarbij zijn euthanasie, palliatieve sedatie en pijnbestrijding. Zij vinden het belangrijk dat de zorgverlener het initiatief neemt voor het gesprek, maar dat gebeurt slechts in 22 procent van de gevallen. Vaak is dat dan de huisarts.

(Meer informatie over het onderzoek op de site van de NFK)

Meeste bejaarden willen wel met arts praten over levensverwachting

De meeste mensen op hoge leeftijd willen best met hun arts praten over hun levensverwachting. Om medische redenen, maar ook om hun toekomst nog een beetje te kunnen plannen. Maar net zoveel bejaarden geloven niet dat hun arts in staat is hun levensverwachting goed in te schatten.

Amerikaanse onderzoekers vroegen 116 gezonde en goed opgeleide ouderen wat ze ervan zouden vinden als hun vaste arts met hen over hun levensverwachting zou praten en ook of ze dachten dat hij dat betrouwbaar kon. Twee derde was ouder dan 85. Maar 34% van hen kende hun arts langer dan vijf jaar.

De deelnemers bleken drie redenen te hebben om aan de juistheid van het oordeel de dokter te twijfelen: eigen ervaring (mijn zus werd ook veel ouder dan de dokter dacht), gebrek aan kennis in de geneeskunde (het leven is te complex) en onzekerheid (ik kan ook morgen een ongeluk krijgen).

Niettemin willen de meesten wel dat de dokter praat over hoe lang het leven wellicht nog duurt, ook als hij/zij dat volgens hen niet goed kan inschatten.

Tegelijk blijkt ook een aanzienlijk deel van de ouderen niet met de arts over dit onderwerp te willen praten. Deels uit angst, deels omdat ze het niet zinnig vinden zolang ze nog gezond zijn en ook omdat ze hun leven niet kunnen plannen op basis van een gokje.

E. Kistler et al. Older adults’ beliefs about physician-estimated life expectancy: a cross-sectional survey. BMC Family Practice 2006;7:9. DOI:10.1186/1471-2296-7-9.

Vrijwilligers gaan onder druk vaak over grenzen, ook eigen grenzen

Een op de vijf vrijwilligers in zorg en welzijn verricht weleens taken die eigenlijk door professionals uitgevoerd moeten worden. Zij vinden dat zelf ongewenst, maar het alternatief is dat hulpbehoevende mensen geen hulp krijgen. Daarom overschrijden ze vaak grenzen, ook die van henzelf.

Dat blijkt uit een tweejarig onderzoek van de Universiteit voor Humanistiek in opdracht van Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) onder ruim 5200 vrijwilligers in zorg en welzijn en meer dan zeshonderd coördinatoren van veertien landelijke vrijwilligersorganisaties. Het onderzoeksrapport,  Aan de andere kant van de schutting. Inspelen op de toenemende vraag naar vrijwillige inzet in het lokale sociale domein, werd 1 november gepresenteerd op de netwerkconferentie ‘Vrijwillig geluk maken’ van NOV.

Als voorbeelden van taken die hun kennis, verantwoordelijkheden en bevoegdheden te buiten gaan, noemen ze het toedienen van medicijnen, het inbrengen van een katheter, het geven van eten en drinken aan mensen met een slikprobleem, of hulp bij complexe rouw of complexe psychische problematiek. Daarnaast gaat het om privacygevoelig papierwerk, zoals aanvragen van een DigiD-code, belastingaangiftes, kiezen van een zorgverzekering, of inzage in (medische) dossiers.

De onderzoekers pleiten voor een open gesprek over deze grensoverschrijdingen, zowel in zorg- en welzijnsorganisaties als in het publieke debat. Als er niet over deze druk gepraat wordt, blijven vrijwilligers er alleen mee zitten. Dat maakt hen eenzaam en angstig. Het overschrijden van grenzen maakt hen ook kwetsbaar, bijvoorbeeld voor beschuldigingen van fraude of misbruik. De onderzoekers waarschuwen bestuurders en politici dat nog meer regels, protocollen, scherpere grenzen en meer controle geen oplossing zijn. Vrijwilligers kénnen de regels, maar hebben goede redenen deze te overtreden. Met strengere regels zijn ook hulpbehoevenden niet geholpen.

Sinds de invoering van de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet staan vrijwilligers en hun organisaties in toenemende mate onder druk. Het aantal en de complexiteit van hulpvragen is sterk toegenomen. Meer druk op vrijwilligersorganisaties vertaalt zich een-op-een naar meer druk op vrijwilligers om extra taken op zich te nemen. De grenzen tussen vrijwilligerswerk en betaald werk blijken in de praktijk allerminst vast te staan. Het appel dat zorgorganisaties, overheid en hulpvragers op vrijwilligers doen, leidt ertoe dat vrijwilligers zichzelf druk opleggen. Als vrijwilligers weten dat iets niet tot hun taken behoort, maar zien dat iemand geen hulp krijgt, handelen zij naar hun gevoel in plaats van strikt de regels te volgen.

De overheid kan de druk van de participatiesamenleving niet bij vrijwilligers en hun organisaties leggen als zij daar qua ondersteuning en erkenning niets tegenoverstelt, zo maakt het onderzoek duidelijk. Gemeenten moeten vrijwilligersorganisaties erkennen als gelijkwaardige gesprekpartners in het sociale domein en overvraging van vrijwilligersorganisaties voorkomen.

Het onderzoek biedt nog andere inzichten. Bijvoorbeeld dat 98% van de uitvoerende vrijwilligers plezier heeft in het vrijwilligerswerk. Een opvallend hoge score gezien hun worsteling met het stellen van grenzen en de toenemende druk.

Download onderzoeksrapport

Wilsverklaring als basis voor een open gesprek

OPINIE

De wilsverklaring staat volop in de aandacht nu de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) en de Consumentenbond campagne voeren voor een eigen versie van dit document. Een goede zaak, want patiënten en artsen moeten vaker met elkaar in gesprek gaan over het levenseinde.

Gesprekken zijn nodig, want het bestaan van een wilsverklaring kan onrealistische verwachtingen wekken.

Uit onderzoek blijkt dat 83 procent van de ondervraagde burgers het juist vindt dat euthanasie wordt verleend aan een patiënt met wie geen communicatie meer mogelijk is en die kort voor hij dement werd een schriftelijke wilsverklaring heeft opgesteld.

Het is echter een illusie te denken dat zo’n wilsverklaring bij ernstige dementie de wilsbekwaamheid definitief regelt, ook op momenten dat er geen sprake meer is van wilsbekwaamheid. Deze paradoxale situatie roept zowel praktische als morele dilemma’s op. Een arts is immers gehouden aan de wet. Die bepaalt dat doden uitsluitend is toegestaan als er sprake is van uitzichtloos en ondragelijk lijden waarbij alternatieve zorg het lijden niet meer kan verminderen. De meeste artsen willen bovendien dat er in geval van euthanasie een mate van wilsbekwaamheid bij de patiënt is. Dat kan overigens ook bij dementie wel degelijk het geval zijn.

Het idee van pertinente wilsonbekwaamheid bij dementie is door artsen en juristen losgelaten. Wilsbekwaamheid kan variëren in tijd en per situatie, stelt de artsenorganisatie KNMG. Als internationaal referentiekader voor wilsbekwaamheid gelden criteria als: ‘Een keuze kunnen maken’, ‘kunnen begrijpen’, ‘kunnen waarderen’ en ‘kunnen redeneren’. Een normatief element zoals ‘autonomie’ heeft geen beslissende rol.

Vroeger werd de dokter vrij gelaten in zijn of haar beslissing wat het beste was. Dat is niet meer zo. Maar de verwachtingen die blijken uit een in beton gegoten wilsverklaring, een document waaraan niet meer te tornen valt, gaan uit van het totaal tegenovergestelde.

Toch belandt soms zo’n kant en klare wilsverklaring plompverloren in de spreekkamer op mijn bureau, alsof het gaat om een notarieel document dat ik als een soort executeur testamentair kan opslaan. Zo werkt het niet, wat mij betreft.

Ik pleit voor overleg, waarbij niet alleen de waarden en overwegingen van de patiënt een plaats hebben, maar ook die van de behandelaar.

De spreekkamer in lopen voor zo’n gesprek is voor de meeste mensen niet eenvoudig, dat realiseer ik me. Ik roep huisartsen daarom op, tijd en energie te steken in het uitnodigen van mensen die kwetsbaar zijn. Ze kunnen daarbij de wilsverklaringen die circuleren gebruiken als basis voor een open gesprek met de betrokkene en zijn of haar naasten over hun angsten en wensen met betrekking tot de laatste fase van het leven.

Jaap Schuurmans

(Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het Algemeen Dagblad)