Categorie archief: Holos #2.4

Dignity Talk helpt te praten in zicht van de dood

Goede communicatie in familieverband bevordert niet alleen het welbevinden van patiënten in de laatste levensfase, maar verlicht ook het mede lijden en de rouw van familieleden. Al te vaak schort het daar echter aan: patiënt en naasten willen elkaar behoeden voor emotionele spanningen. Dus wordt er liever om gevoelens, zorgen en behoeften heen gepraat.

Canadese onderzoekers wilden een nieuwe manier ontwikkelen om betekenisvolle communicatie voor palliatieve patiënten en hun familieleden, gemunt als Dignity Talk, te bevorderen. Het uit 2012 daterende zogeheten Dignity Therapy Question Framework (een lijst met vragen die helpt bij praten over het levenseinde) werd onderzocht op voor- en nadelen, en mogelijkheden voor verbetering.

Op basis van dit model werd een serie eenvoudig te beantwoorden vragen opgesteld. Een groep patiënten, familieleden en zorgprofessionals gaf feedback. Vervolgens werden in twee palliatieve zorgunits patiënten, familieleden en zorgprofessionals gerekruteerd. Zij werden geïnterviewd over de toepassing van de vragen.

Vijftien mensen gaven feedback op het prototype. Twintig patiënten, twintig familieleden en 34 zorgprofessionals deden mee aan de studie naar de toepasbaarheid. De waardering was over het algemeen groot. Zowel patiënten als familie noemen Dignity Talk een handige aanzet om over moeilijke onderwerpen te praten. Daarnaast versterkt het in hun beleving zowel de familieband als de persoonlijke waardigheid van de patiënt. Bijvoorbeeld doordat de mogelijkheid wordt geboden herinneringen, levenslessen en adviezen met de familie te delen. Ook menen zowel patiënten als familie dat het doornemen van de vragenlijst kan bijdragen aan effectieve emotionele interacties en het bespreken van onaffe zaken.

De onderzoekers concluderen dat Dignity Talk een vriendelijke manier biedt om levenseindegesprekken tussen patiënten en hun familie te vergemakkelijken.

Guo Q. e.a. Development and evaluation of the Dignity Talk question framework for palliative patients and their family: A mixed methods study.  Pall Med 2018 ;32 (1) :195-205.
Doi 10.1177/0269216317734696.

Commentaar
In hoeverre kan een vragenlijst verlegenheid met het naderende levenseinde wegnemen? De positieve ervaringen van de gerekruteerde patiënten en hun naasten met Dignity Talk moeten natuurlijk serieus worden genomen. Maar toch: heeft zo’n vragenlijst met zijn onvermijdelijke ‘one fits all’ benadering niet iets artificieels? Zijn ook minder open en ontvankelijke mensen er echt bij gebaat? Hier hebben we nu een discussie over het betrekken van geestelijk verzorgers als praktijkondersteuners in de huisartsenzorg. Dat zou een beter perspectief kunnen bieden dan vragenlijsten, hoe behulpzaam die soms (vaak?) ook kunnen zijn.

Bert Ummelen
redacteur Holos

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

STEUN ONS

Holos bulletin

  • is een digitaal magazine over complexe ouderenzorg, bedoeld voor zorgprofessionals.
  • streeft naar betere zorg voor kwetsbare ouderen: proactief, holistisch en ‘ontkokerd’.
  • bevat samenvattingen van (inter)nationale wetenschappelijke artikelen, wetenswaardigheden en opinies.
  • is nu nog een kwartaaluitgave. Om nog actueler te kunnen zijn willen we per 1 september 2018 toe naar een maandelijkse verschijning.
  • is een idealistisch project. Het is tot dusver gratis en dat houden we graag zo, maar dat lukt alleen als lezers bereid zijn tot een vrijwillige bijdrage.

Vindt u Holos bulletin van belang, maak dan € 25,- over op rek. 
IBAN NL 35 INGB 0678 0553 86 t.n.v. Stichting NAPC, Groesbeek. Veel dank!

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Rapport advance care planning uitgebracht

Verenso, vereniging van specialisten ouderengeneeskunde, heeft samen met V&VN en Patiëntenfederatie Nederland geïnventariseerd hoe specialisten ouderengeneeskunde,  verpleegkundigen en verzorgenden in het verpleeghuis samen kunnen werken op gebied van advance care planning. De bevindingen staan in het rapport ‘Passende zorg door advance care planning’. Hierin is een overzicht opgenomen van beschikbare tools om advance care planning te ondersteunen. De inventarisatie is gedaan voor het project ‘passende zorg door advance care planning’. Dit project is onderdeel van het vernieuwingsprogramma ‘Waardigheid en Trots’, een initiatief van het ministerie van VWS en de Taskforce Waardigheid en Trots waarin Verenso participeert.

Bij advance care planning bij kwetsbare ouderen met multimorbiditeit staat het spreken over waarden en persoonlijke levensdoelen centraal. Van hieruit geeft de oudere richting aan passende toekomstige zorg en behandeling. Gesprekken over zorg en behandeling in de huidige situatie zijn aanleidingen om in gesprek te gaan over wat passende zorg is in de toekomst. Daarnaast zijn verandering in gezondheid, functioneren of levensdoelen aanleidingen om een gesprek proactief te herhalen. Ook een wilsverklaring is een reden om actief in gesprek te gaan.

Vanuit de expertise over de prognose, het beloop van de ziekte en de behandelmogelijkheden kan de specialist ouderengeneeskunde de kwetsbare oudere voorbereiden op wat passende zorg is, gegeven diens voorkeuren, waarden, wensen en gezondheidssituatie. Verpleegkundigen en verzorgenden kunnen een belangrijke signalerende en verkennende rol spelen in het advance care planningsproces. Zij kunnen in (veelal informele) gesprekken verkennen wat belangrijke waarden en persoonlijke levensdoelen zijn voor de oudere en waar de iemands zorgen liggen. In het rapport ‘Passende zorg door advance care planning’ wordt dit uitgewerkt en geïllustreerd met een aantal casus.

Interdisciplinaire scholing, tijd en ruimte voor multidisciplinair vormgeven van gesprekken en goede overdracht van informatie bevorderen het advance care planningsproces. Voor acute situaties is het van belang dat anticiperende medische beleidsafspraken goed terug te vinden zijn in het dossier.

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Afwijkend medicijnmetabolisme nauwelijks gedeeld

Eén enzym, CYP2D6, zorgt voor de omzetting van zo’n kwart van de medicijnen, waaronder antidepressiva en antipsychotica. Bij sommigen werkt dit enzym minder goed. Dat heeft gevolgen voor de medicatie. Uitslagen van de CYP2D6 genotypering gaan echter op grote schaal verloren. Daardoor lopen patiënten het risico op een verkeerd gedoseerd medicijn. Een en ander blijkt uit een recent onderzoek.

Enzym CYP2D6.

Van de Nederlandse bevolking heeft ongeveer 80% het normale polymorfisme. Bij afwijking adviseren de NHG-Standaarden vaak een aanpassing van de dosis of een vervangend medicijn. Klinisch farmacologe M. Simoons e.a. gingen na in welke mate specialisten de resultaten van de CYP2D6 genotypering deelden met huisarts en apotheker. Bovendien onderzochten ze de invloed op het voorschrijfgedrag.

In een genetisch lab werd bij 1307 patiënten het enzym CYP2D6 bepaald. Van hen konden 216 medische dossiers worden achterhaald. Bij de huisarts waren afwijkende uitslagen in slechts 3,1% van de gevallen bekend, bij de apotheker in 5,9%.

De uitslagen van de CYP2D6 genotypering zijn in de eerste lijn dus nauwelijks bekend, concluderen de onderzoekers. Reden zou kunnen zijn dat de aanvragend specialist de informatie niet doorgeeft of dat de huisarts die niet registreert. Bekendheid met een afwijkende CYP2D6 genotypering leidde overigens niet tot een ander voorschrijfbeleid.

De onderzoekers dringen aan op alertheid bij binnenkomende CYP2D6-uitslagen, deze vast te leggen en het voorschrijfbeleid erop af te stemmen.

Simoons M. e.a., Availability of CYP2D6 genotyping results in general practitioner and community pharmacy medical records. Pharmacogenomics 2017; 18:843-51.

Commentaar
Simoons en anderen laten zien hoe beperkt de impact van farmacogenetica is in de klinische praktijk. Zoals vaker wordt een uitslag van een laboratoriumtest in dit artikel impliciet één op één gelijk gesteld met een klinisch relevant gegeven. De auteurs zouden er een veel relevanter artikel van hebben gemaakt als zij hadden onderzocht hoeveel van de CYP2D6 bepalingen ook tot voor de patiënt relevante behandelaanpassingen zou hebben geleid. Tot die tijd is het te gemakkelijk om de zwarte piet bij huisarts en apotheek neer te leggen voor een falende farmacogenetische impact.

Marcel Olde Rikkert
hoogleraar klinische geriatrie

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

AGENDA

5 juni: Beroepsprofielen en wet BIG 2 (V&VN)

Wat gaat er de komende tijd gebeuren rond de beroepsprofielen en de wet BIG 2?

Locate: ziekenhuis Bernhoven, restaurant 1e etage, Uden
16.30 – 20.00 uur

Info en aanmelden op de site van de V&VN

6 juni: Nieuwe informatietechnologie en de veranderde arts-patiënt relatie (KNMG)

Locatie: Rosarium, Amstelpark 1, Amsterdam

18.30 – 21.40 uur

12 juni: Consulentenscholing palliatieve zorg regio Midden-Nederland (IKNL)

Locatie: De Veste, Amersfoort

Bedoeld voor: consulenten en kaderartsen palliatieve zorg in de regio Midden-Nederland, werkzaam in het ziekenhuis of in de eerste lijn, gespecialiseerd verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en medisch specialisten werkzaam in een team dat consultatie in de palliatieve zorg geeft of betrokken zijn bij een PaTz groep.

13 juni: ‘De Waarde van de Wijk’ (V&VN en NWG)

Het Nationaal Congres Wijkverpleging georganiseerd door V&VN en NWG.

Bedoeld voor: wijkverpleegkundigen, verzorgenden, verpleegkundigen en gespecialiseerd verpleegkundigen in de wijk, en opleiders, onderzoekers of anderszins betrokkenen bij de wijkverpleging van de toekomst.

Meer info en aanmelden op de site van V&VN

14 juni: De rol van de arts en notaris bij de totstandkoming van wilsverklaringen (KNMG)

Locatie: Hotel & Spa Savarin, Rijswijk,

19.00 tot 21.30 uur

22 juni: Uitnodiging congres: ‘De Zorg: Tenminste houdbaar tot …?’ (KNMG)

Locatie: Noordlease stadion FC Groningen

19.00 tot 21.30 uur

28 juni: Congres eHealth: een blijvende belofte of realiteit? Wat betekent het voor arts en patiënt?

Locatie: Evoluon Eindhoven

15.30 tot 21.15 uur

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Meldingen euthanasie met 8 procent gestegen

Vorig jaar zijn 6.585 gevallen van euthanasie gemeld, een toename met 8% ten opzichte van 2016, zo blijkt uit het Jaarverslag van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE). Het gaat om 4,4% van alle sterfgevallen. In 90% ging het om ongeneeslijke aandoeningen of een combinatie van ongeneeslijke aandoeningen.

Ruim 80% van de uitvoeringen gebeurde thuis. In 86% was de uitvoerend arts een huisarts. 65% van de meldingen betrof patiënten in de leeftijd van 70 jaar of ouder. Twaalf meldingen werden als ‘onzorgvuldig’ beoordeeld, 0,2% van het totale aantal.

In drie gevallen betrof het patiënten met vergevorderde dementie op grond van een wilsverklaring. Er zijn 166 meldingen beoordeeld waarbij er sprake was van beginnende dementie. In 83 gevallen was er sprake van een psychiatrische aandoening, in 293 gevallen van een stapeling van ouderdomsklachten.

Het Jaarverslag meldt dat het de RTE vorig jaar niet is gelukt om alle meldingen binnen de wettelijke termijn van zes weken van een gemotiveerd oordeel te voorzien. De afdoeningtermijn steeg van gemiddeld 37 dagen naar 52 dagen.

Tegelijk met het Jaarverslag is de EuthanasieCode 2018 gepresenteerd. Die vervangt de drie jaar oude Code of Practice. De Code, jurisprudentiebundel van de RTE, biedt ten opzichte van de voorgaande tekst een aantal ‘preciseringen’.

Nieuw zijn een index en een aantal stroomschema’s. ‘Nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de interpretatie van de wettelijke zorgvuldigheidseisen’ hebben zich niet voorgedaan, aldus coördinerend voorzitter Kohnstamm in zijn voorwoord.

De preciseringen betreffen onder andere de mate van onafhankelijkheid van de consulent ten opzichte van de uitvoerend arts en paragrafen die betrekking hebben op patiënten met een psychiatrische aandoening en patiënten met dementie en de ruimte die de wet biedt voor mensen met een stapeling van ouderdomsaandoeningen.

Artsen die euthanasie uitvoeren bij patiënten met gevorderde dementie moeten dit voortaan standaard mondeling bij de RTE komen toelichten.

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Vroegsignalering: nog weinig samenwerking

Vroegsignalering is erop gericht om ouderen die risico lopen om kwetsbaar te worden, of mogelijk al kwetsbaar zijn, proactief op te sporen en hun problemen en behoeften te inventariseren. Belangrijk is dat verschillende betrokken zorg- en hulpverleners meer met elkaar samenwerken.

Het RIVM deed onderzoek naar samenwerking bij vroegsignalering voor ouderen en publiceerde de factsheet Vroegsignalering bij (kwetsbare) ouderen: wat is nodig om samenwerking te verbeteren? (pdf)

Samenwerking bij vroegsignalering is belangrijk om te voorkomen dat de verschillende zorg- en hulpverleners langs elkaar heen werken. De wijze waarop die samenwerking wordt vormgegeven en de partijen die erbij betrokken zijn lopen uiteen. Vaak zijn de samenwerkingsinitiatieven nog in ontwikkeling. Samenwerking vindt echter nog niet op grote schaal plaats. Onduidelijkheid over hoe vroegsignalering effectief kan worden ingezet, blijkt hiervan één van de redenen te zijn. Betrokkenen zijn vaak nog zoekende naar bij wie en op welk moment vroegsignalering het beste kan worden ingezet, en welke instrumenten zij daarbij het beste kunnen gebruiken. Het gevolg hiervan is dat zij het nog lastig vinden om te bepalen met wie zij het beste kunnen samenwerken.

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Apathie ouderen kan voorbode dementie zijn

Apathie bij ouderen kan een voorbode van dementie zijn. Dat komt naar voren uit een onderzoek, waarbij gedurende zes jaar 70-plussers werden gevolgd. Bij de start van het onderzoek in 2006 had geen van hen dementie. Elke twee jaar werden ze onderzocht, onder meer met behulp van de 15 items tellende Geriatric Depression Scale (GDS-15).

Uit de GDS-scoren werd de mate van apathie en depressie afgeleid. Vervolgens werd berekend in hoeverre apathie en depressie voorspellers waren van dementie. Bij 232 van de 3427 deelnemers trad dementie op. Dat inderdaad sprake was van dementeren werd na klinische diagnose bevestigd door een onafhankelijk panel van deskundigen.

Apathie bleek de kans op dementie met de tijd te verdubbelen. Ook werd een verband gevonden tussen depressie en dementie, maar dit verband was er niet meer na correctie van andere factoren zoals het GDS-item over geheugenklachten.

De onderzoekers concluderen dat apathie en depressiviteit onafhankelijk geassocieerd zijn met beginnende dementie. Ervaren geheugenklachten kunnen een belangrijke rol spelen bij het verband tussen depressie en dementie. Omdat apathie een voorbode kan zijn van dementie zouden huisartsen daarop alert moeten zijn, ook als geen sprake is van cognitieve problemen. Probleem is dat patiënten niet geneigd zijn over verlies van emoties, motivatie of enthousiasme te beginnen.

Van Dalen J.W., e.a., Apathy is associated with incident dementia in community-dwelling older people. Neurology 2018 Jan 2;90(1): e82-e89. doi: 10.1212/WNL.0000000000004767.

Commentaar
Collega Van Dalen heeft in zijn proefschrift, verdedigd 6 maart 2017 te Amsterdam, een mooie serie artikelen over het apathiesyndroom doen verschijnen. Het artikel uit Neurology is er een van.

Het predictieve gewicht van een apathiesyndroom, zoals beschreven in dit artikel, is op patiëntniveau echter lang niet het belangrijkste. De grote belasting van de omgeving van een patiënt die lijdt aan een ernstige apathie en soms de lijdensdruk voor de patiënt tellen veel zwaarder. Juist daarom is het goed dat de auteurs aandacht voor dit syndroom vragen. Hun (al jaren oude) stelling dat dit syndroom vaak ontstaat door een specifiek neuro-anatomisch substraat, het cholinerge deficientiesyndroom, hebben ze echter allerminst bewezen. Daarvoor was een diepgaand onderzoek van een representatieve steekproef noodzakelijk geweest en dat is niet de basis van dit wetenschappelijk werk, dat niettemin waardevolle nieuwe kennis oplevert.

Marcel Olde Rikkert
hoogleraar klinische geriatrie

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Ook aandacht voor medische zorg in ’Thuis in verpleeghuis’

Op 10 april jl. presenteerde minister De Jonge (VWS) het programma ‘Thuis in het verpleeghuis’. Het programma geeft aan hoe de verpleeghuiszorg de komende jaren merkbaar en meetbaar verbeterd moet worden. Het sluit aan op het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg dat in 2017 van kracht werd.

Werd in de conceptversie van het programma nauwelijks aandacht besteed aan de medische zorg, dat is vooral op aandringen van Verenso veranderd.

Deel HOLOS
Facebooktwittermail

Bekoelt ons ‘euthanasiasme’? Dat van de RTE nog niet

OPINIE

Volgens NVVE-directeur Agnes Wolbert Is ‘de sfeer rond euthanasie en het zelfgekozen levenseinde negatiever geworden’. Het is natuurlijk een kwestie van perspectief. Je zou ook kunnen spreken van een correctie op het ‘euthanasiasme’ (Stephan Sanders) dat over Nederland vaardig is geworden. Maar klopt het?

Actie ‘Niet stiekem bij euthanasie’

Artsen zouden beducht zijn voor het justitiële activisme onder OM-chef Otte en daardoor terughoudender zijn geworden. Merkwaardig is het dan wel dat de Levenseindekliniek, beroepsinstantie voor mensen met een doodswens, het sinds het OM een hoge borst opzette naar eigen zeggen niet drukker heeft gekregen. De klacht dat huisartsen ‘eenvoudige euthanasieaanvragen’ over de schutting gooien, klonk daar al langer. En ook al vóór het OM zijn eerste strafrechtelijke onderzoek begon, tekenden artsen via krantenadvertenties (‘Niet stiekem bij euthanasie’) protest aan tegen het uitdijen van de euthanasiepraktijk. Over het doodmaken van diepdemente mensen ging die actie.

Ook de ChristenUnie wordt verantwoordelijk gehouden voor de ‘negatievere sfeer’. Kabinetsdeelname van die partij heeft een rem gezet op plannen om euthanasie mogelijk te maken voor relatief gezonde ouderen, dat is waar. Maar zo’n ‘voltooid leven’ wet was al zeer omstreden toen er nog helemaal niet geformeerd werd. Niet alleen de commissie-Schnabel die over de kwestie adviseerde zag er niets in, ook de beroepsorganisaties van relevante zorgverleners hebben zich er zonder uitzondering tegen uitgesproken.

Dezer dagen verscheen een actualisering van de uit 2015 daterende Code of Practice, waarin de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) hun toetsingspraktijk toelichten. Je leest hoe ze de wettelijke zorgvuldigheidseisen interpreteren. Doen ze dat nu ‘strenger’, zoals de omslag in sfeer rond het zelfgekozen levenseinde die de NVVE waarneemt zou kunnen doen vermoeden? De code heeft een nieuwe naam gekregen en biedt een aantal ‘preciseringen’, maar die zijn van redactionele of expliciterende aard. Zo wordt het verschil tussen ‘stapeling van ouderdomsklachten’ en ‘voltooid leven’ benadrukt. Wel of geen medische grondslag, dat is de kwestie.

Van beleidswijzigingen is geen sprake of het moet de als voetnoot opgenomen mededeling zijn dat artsen die euthanasie uitvoeren bij patiënten met gevorderde dementie dat voortaan altijd bij de RTE mondeling moeten komen toelichten.

Overigens stelt de nieuwe code net als de oude: ‘De uitvoering van een euthanasieverzoek in de fase waarin het proces van dementering zodanig is voortgeschreden dat de patiënt niet langer wilsbekwaam is en ook niet meer kan communiceren (..) is mogelijk in gevallen waarin de patiënt, toen hij nog wilsbekwaam was, een schriftelijke wilsverklaring heeft opgesteld.’ RTE-voorzitter Kohnstamm wijst steevast op art 2, lid 2 van de wet dat ruimte biedt voor euthanasie bij wilsonbekwaamheid op grond van een schriftelijke wilsverklaring. Je kunt van ons niet vragen een deur dicht te trekken die de wetgever heeft geopend, wil hij maar zeggen. Maar gaat het hier wel om de wet of om een interpretatie ervan? De wettekst gaat verder: de zorgvuldigheidseisen ‘zijn van overeenkomstige toepassing’. En daar wringt de schoen, vindt bijvoorbeeld medisch-ethica Berna van Baarsen die uit onbehagen uit de RTE stapte. Of deze mensen ondraaglijk lijden is niet met zekerheid vast te stellen en dus komen zij niet in aanmerking voor euthanasie.

In het artsenprotest van begin dit jaar werd een punt gemaakt van het gebruik van premedicatie bij de euthanasie van een diepdemente vrouw, de casus die het eerste strafrechtelijke onderzoek sinds de inwerkingtreding van de euthanasiewet uitlokte. De Code: ‘Als de arts verwacht dat de patiënt bij de uitvoering met pijn- en schrikreacties zou kunnen reageren, is het geven van premedicatie (bijvoorbeeld midazolam) niet ongebruikelijk.’ Meer omfloerst kun je niet zeggen dat het gewoon mag: iemand doden in een chemisch dwangbuis.

Voor een kentering in het opinieklimaat rond onze euthanasiepraktijk moet je vooralsnog de grens over, zo ondervonden ethicus Theo Boer, lang lid van een RTE, en arts-schrijver Bert Keizer. Zij waren in Kopenhagen op uitnodiging van de Deense Raad voor Ethiek, een denktank op het gebied, en konden zo uit de eerste hand optekenen dat bewondering voor ons ‘gidsland’ is omgeslagen in verbijstering. Die geldt de enorme toename van het aantal gevallen, maar niet minder de uitbreiding van de indicaties.

Wat de Denen en zoveel buitenlanders niet kunnen bevatten is dat dokters hier jaarlijks honderden mensen doden die nog jaren, zelfs tientallen jaren, hadden kunnen leven. Op een manier die hen niet aanstond, kun je zeggen. Dat is in zekere zin de kern van de zaak: de termen van de euthanasiewet zijn zo langzamerhand volkomen gesubjectiveerd. ‘Ondraaglijk lijden’, kerncriterium, is niet alleen losgeraakt van het oude anker van medische classificeerbaarheid, maar is steeds vaker ook anticiperend lijden: er staat me iets te wachten wat ik niet mee wil maken.

Illustratieve passages uit de code: ‘Wat voor de ene patiënt nog draaglijk kan zijn, is dat voor de andere patiënt niet. Het gaat om de beleving van de individuele patiënt.’ En: ‘De angst voor in het verschiet liggende achteruitgang van de gezondheid kan voor de patiënt een bepalende factor bij het lijden zijn.’

Ondraaglijk is wat de patiënt zegt dat het is, daar komt het op neer. De wettelijke eis dat er geen redelijk alternatief mag zijn om het ervaren lijden te verlichten kan in een door gehechtheid aan ‘autonomie’ en ‘vrije wil’ gestuurde euthanasiepraktijk ook nauwelijks meer dan een dode letter zijn.

De wetgever heeft artsen aangesteld als poortwachters van de ‘goede dood’. Het is geen prettige rol en bij schuivende grenzen is het een akelige rol. De EuthanasieCode 2018 is intussen bij alle huisartsen op de deurmat gevallen. VWS-minister De Jonge benadrukte bij de presentatie nog eens hoe belangrijk hij goede voorlichting aan artsen vindt. En dat is het ook. Maar sinds Schnabel c.s. de reikwijdte van de euthanasiewet (‘Er kan meer dan gedacht’) aanvoerde als argument om tegen een parallelle wet voor ‘voltooid leven’ te adviseren, lijkt ‘voorlichten’ een ander woord voor het wegnemen van reserves. Waarbij dan stilzwijgend wordt aangenomen dat die te maken hebben met vrees de wet te overtreden. Alsof de diepe twijfel die veel artsen voelen als ze met euthanasie te maken krijgen legalistisch van aard is. Die is van morele aard. Wat dat betreft: als de minister artsen een steuntje in de rug wil geven, laat hem dan nog eens kijken naar het voorstel vanuit de Kamer om geestelijk verzorgers als praktijkondersteuner in de huisartsenzorg te betrekken.

De wet gebiedt artsen zich te overtuigen van authenticiteit en onvermijdelijkheid van het doodsverlangen. Bij die opgave bieden medische competenties steeds minder houvast. Wie de arts simpelweg ziet als uitvoerder van een ‘vrije wil’, slechts geëxcuseerd als levensbeschouwelijke opvattingen hem in de weg zitten, miskent het problematische karakter ervan.

Vorig jaar is het aantal gemelde euthanasiegevallen weer met 8% gestegen, waarbij het relatieve aandeel van niet-terminale patiënten ook weer groter is geworden. Zolang politici op hun handen blijven zitten en rechtsvragen die de groeiende euthanasiepraktijk oproept onbeantwoord blijven, is er geen aanleiding te denken dat die trend niet doorzet.

Bert Ummelen

Deel HOLOS
Facebooktwittermail