Zeker weten?

COLUMN

Rob Vunderink

Euthanasieverklaring: ‘Zodra ik mijn eigen familie niet meer herken, wil ik dat een arts mij actief helpt aan een goede dood. Deze verklaring is aan de orde, indien ik op enig tijdstip niet in staat ben haar te bevestigen, te wijzigen of te herroepen, op grond van onvoldoende bewustzijn of onvermogen mij uit andere hoofde te uiten.’

„Meneer Vunderink, wilt u mij even aankijken?”

Wat een drukte allemaal. Ik wou dat ze me met rust lieten. Wie zijn die lui eigenlijk?

„Pap, de dokter wil je wat vragen stellen.”

Waar hebben ze het over? Ik heb honger. Ik wil iets lekkers.

„Ik heb honger. Ik wil iets lekkers.”

„Geeft u uw vader eerst maar iets te eten”, zegt de dokter.

Hé, krijg nou wat! Ik krijg chocoladepudding met slagroom. Hoe zouden ze weten dat ik dat lekker vind?

„Herkent u deze handtekening?” De dokter wappert met de verklaring.

„Mijn vader kan niet meer lezen.”

„Hier staat dat u met behulp van een arts wilt sterven als u dement mocht worden en u zich uw familie niet meer kunt herinneren”, zegt de arts. „Weet u zeker dat u nooit meer wakker wilt worden?”

Ik hoop dat ik straks weer pudding krijg. Ik wil elke dag wel pudding. Ik hoop dat ik het nog heel vaak krijg. Maar dat gezeur. Ik wou dat ze er een einde aan maakten.

„Ik wou dat jullie er een einde aan maakten.”

„Weet u wie dit is?”, vraagt de dokter, wijzend op de man naast hem.

Wat is dit voor dom gedoe. Ik zal mijn eigen broer toch wel herkennen?

„Ik zal mijn eigen broer toch wel herkennen?”

„Bijna goed. Probeert u het nog eens.”

Het is mijn broer toch? En waar blijft dat lekkers?

„Waar blijft dat lekkers?”

„Pap, je hebt je toetje al op.”

Ik heb helemaal geen niks op. Wat een treiterkoppen. Wat denken ze wel. Dat ik dement ben? Laat die lui eens normaal doen.

„Wat denken jullie wel. Dat ik dement ben? Doe eens normaal, man!”

„Begint-ie weer te huilen. Doet mijn vader steeds vaker, als-ie het niet begrijpt. Dit is precies waar hij bang voor was. Een onwaardige oude dag. Niet meer snappen wie of waar hij is. Daarvoor heeft hij die verklaring getekend.”

„Meneer Vunderink, ik ga u een stukje uit uw dagboek voorlezen. Daarna wil ik graag uw reactie.”

‘Met mijn dood ga ik niemand lastig vallen. Ik reis naar Lapland, ga op een sneeuwvlakte zitten genieten van het panorama en drink bij veertig graden vorst twee flessen wodka leeg. Daarna mogen de ijsberen me hebben. Ik hoop maar dat ik gezond genoeg zal blijven om dit uit te voeren. Zo niet, dan wil ik een spuitje van de dokter.’

„Herinnert u zich deze tekst?”

Wat een gezeur. Waar blijft mijn lekkers? Wat een mispunten. Dit is onverdraaglijk. Er moet een einde aan komen.

„Dit is onverdraaglijk. Er moet een einde aan komen.”

„Daar blijft u bij? Zeker weten?”

Ik wil iets lekkers. Natuurlijk weet ik dat zeker.

„Natuurlijk weet ik dat zeker.”

Er moet een einde aan komen en de patiënt weet het zeker. Maar de omgeving, wat weet die nu?