Krant

COLUMN

Zeven uur in de ochtend. Ik ben bijna klaar met de krantenwijk waarmee ik mijzelf dwing dagelijks anderhalf uur te bewegen. Anders slib ik op mijn oude dag dicht op de stoel voor mijn computerscherm.

Uit een deur die al openstond, komt een dame op leeftijd de straat oplopen. „Meneer, kunt u mij helpen mijn man op te tillen? Hij is gevallen.” De vrouw in dit Duitse grensdorp is onmiskenbaar Nederlands.

In de huiskamer ligt de bejaarde bewoner, gezicht gehavend en bloedplas op de grond, naast een eenpersoonsbed met bedpapegaai en triangel. Hij strekt zijn armen naar me uit en laat zich het bed op zeulen. „Aah!”, klinkt zijn langgerekte pijnkreet. Eenmaal op het bed draait hij zich af naar de muur. Het lijkt erop dat hij niet kan praten.

Voor de deur staat een oude Mercedes met een kentekenplaat waarop zijn initialen staan. Dat kan in Duitsland. Als je oud en bedlegerig bent, ga je als Nederlander niet vlak over de grens wonen, denk ik. Dus deze mensen moeten hier al een tijdje wonen. En hadden deze situatie niet voorzien. Of niet willen voorzien. En toen sloeg het noodlot toe.

Mijn gedachten gaan terug naar Levensavond, het bejaardentehuis in Berg en Dal waar ik op mijn zestiende ook al de krant bezorgde. De meeste bewoonsters – ik herinner me vooral vrouwen – wilden graag dat je de krant op hun kamer kwam brengen. Ik herinner me de stoffige, bedompte lucht die me tegemoet walmde vanuit die vertrekken.

Later stond op deze plek De Vijverhof. Mijn ouders waren er beland na de twee beroertes die mijn moeder troffen op haar 68e. Ze was even oud als ik nu. In dit tweekamerappartement voelden mijn ouders zich op hun gemak, dankzij attent personeel en een goede keuken. Toen mijn vader twee jaar later stierf, was een verzorgster snel ter plaatse geweest.

Net als nu koos ook toen niet iedereen voor een tehuis. De keuze was er niet louter een van rangen en standen. Een Nijmeegse huisarts, afkomstig uit een statig herenhuis in het centrum van de stad, zat er ook met zijn vrouw. Maar je had er ook dametjes die andere bewoners tijdens de bingo wegpestten uit de gemeenschappelijke ruimte. Dat de plaaggeesten na de lagere school niet uit de maatschappij verdwijnen, besef je als je ze weer tegenkomt tijdens de militaire dienst of in het ziekenhuis.

En tot een aantal jaar geleden ook in het bejaardentehuis. Maar die tijd lijkt voorbij. Nu de babyboomers voor een ongekend grote grijze golf zorgen, gaat het mes in allerlei onbetaalbaar geworden voorzieningen. De rust en zekerheid van weleer hebben plaatsgemaakt voor de Wmo en keukentafelgesprekken. De druk op de knop voor redding in een noodsituatie heeft plaatsgemaakt voor hulpverlening door een passerende krantenbezorger.

Dit is geen eindpunt. Straks is de krantenbezorger zelf aan de beurt. Wie zal hem helpen als er straks geen krant meer is?