Bekoelt ons ‘euthanasiasme’? Dat van de RTE nog niet

OPINIE

Volgens NVVE-directeur Agnes Wolbert Is ‘de sfeer rond euthanasie en het zelfgekozen levenseinde negatiever geworden’. Het is natuurlijk een kwestie van perspectief. Je zou ook kunnen spreken van een correctie op het ‘euthanasiasme’ (Stephan Sanders) dat over Nederland vaardig is geworden. Maar klopt het?

Actie ‘Niet stiekem bij euthanasie’

Artsen zouden beducht zijn voor het justitiële activisme onder OM-chef Otte en daardoor terughoudender zijn geworden. Merkwaardig is het dan wel dat de Levenseindekliniek, beroepsinstantie voor mensen met een doodswens, het sinds het OM een hoge borst opzette naar eigen zeggen niet drukker heeft gekregen. De klacht dat huisartsen ‘eenvoudige euthanasieaanvragen’ over de schutting gooien, klonk daar al langer. En ook al vóór het OM zijn eerste strafrechtelijke onderzoek begon, tekenden artsen via krantenadvertenties (‘Niet stiekem bij euthanasie’) protest aan tegen het uitdijen van de euthanasiepraktijk. Over het doodmaken van diepdemente mensen ging die actie.

Ook de ChristenUnie wordt verantwoordelijk gehouden voor de ‘negatievere sfeer’. Kabinetsdeelname van die partij heeft een rem gezet op plannen om euthanasie mogelijk te maken voor relatief gezonde ouderen, dat is waar. Maar zo’n ‘voltooid leven’ wet was al zeer omstreden toen er nog helemaal niet geformeerd werd. Niet alleen de commissie-Schnabel die over de kwestie adviseerde zag er niets in, ook de beroepsorganisaties van relevante zorgverleners hebben zich er zonder uitzondering tegen uitgesproken.

Dezer dagen verscheen een actualisering van de uit 2015 daterende Code of Practice, waarin de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) hun toetsingspraktijk toelichten. Je leest hoe ze de wettelijke zorgvuldigheidseisen interpreteren. Doen ze dat nu ‘strenger’, zoals de omslag in sfeer rond het zelfgekozen levenseinde die de NVVE waarneemt zou kunnen doen vermoeden? De code heeft een nieuwe naam gekregen en biedt een aantal ‘preciseringen’, maar die zijn van redactionele of expliciterende aard. Zo wordt het verschil tussen ‘stapeling van ouderdomsklachten’ en ‘voltooid leven’ benadrukt. Wel of geen medische grondslag, dat is de kwestie.

Van beleidswijzigingen is geen sprake of het moet de als voetnoot opgenomen mededeling zijn dat artsen die euthanasie uitvoeren bij patiënten met gevorderde dementie dat voortaan altijd bij de RTE mondeling moeten komen toelichten.

Overigens stelt de nieuwe code net als de oude: ‘De uitvoering van een euthanasieverzoek in de fase waarin het proces van dementering zodanig is voortgeschreden dat de patiënt niet langer wilsbekwaam is en ook niet meer kan communiceren (..) is mogelijk in gevallen waarin de patiënt, toen hij nog wilsbekwaam was, een schriftelijke wilsverklaring heeft opgesteld.’ RTE-voorzitter Kohnstamm wijst steevast op art 2, lid 2 van de wet dat ruimte biedt voor euthanasie bij wilsonbekwaamheid op grond van een schriftelijke wilsverklaring. Je kunt van ons niet vragen een deur dicht te trekken die de wetgever heeft geopend, wil hij maar zeggen. Maar gaat het hier wel om de wet of om een interpretatie ervan? De wettekst gaat verder: de zorgvuldigheidseisen ‘zijn van overeenkomstige toepassing’. En daar wringt de schoen, vindt bijvoorbeeld medisch-ethica Berna van Baarsen die uit onbehagen uit de RTE stapte. Of deze mensen ondraaglijk lijden is niet met zekerheid vast te stellen en dus komen zij niet in aanmerking voor euthanasie.

In het artsenprotest van begin dit jaar werd een punt gemaakt van het gebruik van premedicatie bij de euthanasie van een diepdemente vrouw, de casus die het eerste strafrechtelijke onderzoek sinds de inwerkingtreding van de euthanasiewet uitlokte. De Code: ‘Als de arts verwacht dat de patiënt bij de uitvoering met pijn- en schrikreacties zou kunnen reageren, is het geven van premedicatie (bijvoorbeeld midazolam) niet ongebruikelijk.’ Meer omfloerst kun je niet zeggen dat het gewoon mag: iemand doden in een chemisch dwangbuis.

Voor een kentering in het opinieklimaat rond onze euthanasiepraktijk moet je vooralsnog de grens over, zo ondervonden ethicus Theo Boer, lang lid van een RTE, en arts-schrijver Bert Keizer. Zij waren in Kopenhagen op uitnodiging van de Deense Raad voor Ethiek, een denktank op het gebied, en konden zo uit de eerste hand optekenen dat bewondering voor ons ‘gidsland’ is omgeslagen in verbijstering. Die geldt de enorme toename van het aantal gevallen, maar niet minder de uitbreiding van de indicaties.

Wat de Denen en zoveel buitenlanders niet kunnen bevatten is dat dokters hier jaarlijks honderden mensen doden die nog jaren, zelfs tientallen jaren, hadden kunnen leven. Op een manier die hen niet aanstond, kun je zeggen. Dat is in zekere zin de kern van de zaak: de termen van de euthanasiewet zijn zo langzamerhand volkomen gesubjectiveerd. ‘Ondraaglijk lijden’, kerncriterium, is niet alleen losgeraakt van het oude anker van medische classificeerbaarheid, maar is steeds vaker ook anticiperend lijden: er staat me iets te wachten wat ik niet mee wil maken.

Illustratieve passages uit de code: ‘Wat voor de ene patiënt nog draaglijk kan zijn, is dat voor de andere patiënt niet. Het gaat om de beleving van de individuele patiënt.’ En: ‘De angst voor in het verschiet liggende achteruitgang van de gezondheid kan voor de patiënt een bepalende factor bij het lijden zijn.’

Ondraaglijk is wat de patiënt zegt dat het is, daar komt het op neer. De wettelijke eis dat er geen redelijk alternatief mag zijn om het ervaren lijden te verlichten kan in een door gehechtheid aan ‘autonomie’ en ‘vrije wil’ gestuurde euthanasiepraktijk ook nauwelijks meer dan een dode letter zijn.

De wetgever heeft artsen aangesteld als poortwachters van de ‘goede dood’. Het is geen prettige rol en bij schuivende grenzen is het een akelige rol. De EuthanasieCode 2018 is intussen bij alle huisartsen op de deurmat gevallen. VWS-minister De Jonge benadrukte bij de presentatie nog eens hoe belangrijk hij goede voorlichting aan artsen vindt. En dat is het ook. Maar sinds Schnabel c.s. de reikwijdte van de euthanasiewet (‘Er kan meer dan gedacht’) aanvoerde als argument om tegen een parallelle wet voor ‘voltooid leven’ te adviseren, lijkt ‘voorlichten’ een ander woord voor het wegnemen van reserves. Waarbij dan stilzwijgend wordt aangenomen dat die te maken hebben met vrees de wet te overtreden. Alsof de diepe twijfel die veel artsen voelen als ze met euthanasie te maken krijgen legalistisch van aard is. Die is van morele aard. Wat dat betreft: als de minister artsen een steuntje in de rug wil geven, laat hem dan nog eens kijken naar het voorstel vanuit de Kamer om geestelijk verzorgers als praktijkondersteuner in de huisartsenzorg te betrekken.

De wet gebiedt artsen zich te overtuigen van authenticiteit en onvermijdelijkheid van het doodsverlangen. Bij die opgave bieden medische competenties steeds minder houvast. Wie de arts simpelweg ziet als uitvoerder van een ‘vrije wil’, slechts geëxcuseerd als levensbeschouwelijke opvattingen hem in de weg zitten, miskent het problematische karakter ervan.

Vorig jaar is het aantal gemelde euthanasiegevallen weer met 8% gestegen, waarbij het relatieve aandeel van niet-terminale patiënten ook weer groter is geworden. Zolang politici op hun handen blijven zitten en rechtsvragen die de groeiende euthanasiepraktijk oproept onbeantwoord blijven, is er geen aanleiding te denken dat die trend niet doorzet.

Bert Ummelen

Deel HOLOS
Facebooktwittermail