Apathie ouderen kan voorbode dementie zijn

Apathie bij ouderen kan een voorbode van dementie zijn. Dat komt naar voren uit een onderzoek, waarbij gedurende zes jaar 70-plussers werden gevolgd. Bij de start van het onderzoek in 2006 had geen van hen dementie. Elke twee jaar werden ze onderzocht, onder meer met behulp van de 15 items tellende Geriatric Depression Scale (GDS-15).

Uit de GDS-scoren werd de mate van apathie en depressie afgeleid. Vervolgens werd berekend in hoeverre apathie en depressie voorspellers waren van dementie. Bij 232 van de 3427 deelnemers trad dementie op. Dat inderdaad sprake was van dementeren werd na klinische diagnose bevestigd door een onafhankelijk panel van deskundigen.

Apathie bleek de kans op dementie met de tijd te verdubbelen. Ook werd een verband gevonden tussen depressie en dementie, maar dit verband was er niet meer na correctie van andere factoren zoals het GDS-item over geheugenklachten.

De onderzoekers concluderen dat apathie en depressiviteit onafhankelijk geassocieerd zijn met beginnende dementie. Ervaren geheugenklachten kunnen een belangrijke rol spelen bij het verband tussen depressie en dementie. Omdat apathie een voorbode kan zijn van dementie zouden huisartsen daarop alert moeten zijn, ook als geen sprake is van cognitieve problemen. Probleem is dat patiënten niet geneigd zijn over verlies van emoties, motivatie of enthousiasme te beginnen.

Van Dalen J.W., e.a., Apathy is associated with incident dementia in community-dwelling older people. Neurology 2018 Jan 2;90(1): e82-e89. doi: 10.1212/WNL.0000000000004767.

Commentaar
Collega Van Dalen heeft in zijn proefschrift, verdedigd 6 maart 2017 te Amsterdam, een mooie serie artikelen over het apathiesyndroom doen verschijnen. Het artikel uit Neurology is er een van.

Het predictieve gewicht van een apathiesyndroom, zoals beschreven in dit artikel, is op patiëntniveau echter lang niet het belangrijkste. De grote belasting van de omgeving van een patiënt die lijdt aan een ernstige apathie en soms de lijdensdruk voor de patiënt tellen veel zwaarder. Juist daarom is het goed dat de auteurs aandacht voor dit syndroom vragen. Hun (al jaren oude) stelling dat dit syndroom vaak ontstaat door een specifiek neuro-anatomisch substraat, het cholinerge deficientiesyndroom, hebben ze echter allerminst bewezen. Daarvoor was een diepgaand onderzoek van een representatieve steekproef noodzakelijk geweest en dat is niet de basis van dit wetenschappelijk werk, dat niettemin waardevolle nieuwe kennis oplevert.

Marcel Olde Rikkert
hoogleraar klinische geriatrie

Deel HOLOS
Facebooktwittermail