Effect van chemo op fysiek functioneren 
ouderen onderzocht

Er is nog weinig bekend over de effecten van chemotherapie op het fysiek functioneren van ouderen. Net als co-morbiditeit is fysieke conditie een belangrijke voorspeller van mortaliteit, gebruik van zorgvoorzieningen en indicator van behandel(on)mogelijkheden. In een Amerikaans onderzoek werden kankerpatiënten van 65 jaar en ouder gedurende twee cycli van chemotherapie zes keer gevraagd naar lichamelijke conditie, psychisch functioneren en kwaliteit van leven.

Allen hadden al gedurende vier weken chemotherapie gehad en zouden nog minstens twee cycli van chemotherapie krijgen. Hun fysieke functioneren werd bepaald aan de hand van de Karnofsky performance status (KPS), de self-administered comorbidity summary (SCQ) en de psysical component summary (PCS). De mental component summary (MSC) was een maat voor het psychisch functioneren. Daarnaast werd de Quality of Life scale patient version (QOL-PV) afgenomen om zicht te krijgen op de kwaliteit van leven in de vier domeinen van welzijn (lichamelijk, psychologisch, sociaal en spiritueel). Tevoren werden de patiënten verdeeld in drie subgroepen van fysiek functioneren (ruim onder de norm voor de leeftijd, onder de norm en boven de norm) en probeerde men inzicht te krijgen in demografische en andere factoren die medebepalend zouden kunnen zijn voor het lichamelijk functioneren.

Bijna 36% had een PSC score hoger dan de norm bij aanvang, bijna 44% onder de norm en 20.4% ruim onder de norm en deze scores veranderden eigenlijk niet gedurende de chemokuren.
Als er sprake was van meer co-morbiditeit, was de KPS ook lager. Minder goed functioneren had ook een relatie met lage inkomens, aanwezigheid van hart- en vaatziekten en minder lichaamsbeweging op regelmatige basis. Ook lage rugpijn, lager Hb en depressie werden vaker gerapporteerd in deze groep. Leeftijd, geslacht en type kanker maakten geen verschil.

Dat scores voor fysiek functioneren stabiel bleven gedurende de chemobehandelingen kan ermee te maken hebben dat gemiddelden telden. Er was geen verband tussen type kanker en behandeling en de verschillende subgroepen qua functioneren. Niet bekend is of doseringen van therapie naar aanleiding van verminderd functioneren zijn aangepast. Ook onbekend is of aan de behandelende oncoloog voldoende goed gerapporteerd is over verminderd functioneren.

In een volgende studie zouden individuen in de tijd gevolgd moeten worden tijdens hun behandelingen. Tevens blijkt anemie bij alle ouderen in alle drie de subgroepen voor te komen met als gevolg een verhoogd risico op vallen, frailty, depressieve kenmerken, ziekenhuisopnames en verhoogde mortaliteit. Financiële status en sociale factoren beïnvloeden het functioneren ook en verdienen, net als de anemie, aandacht van de behandelende artsen. Lichamelijke activiteit (of de afwezigheid ervan) voor de behandeling is ook een voorspellende factor voor het fysieke functioneren na chemotherapie. Verminderd functioneren is direct geassocieerd met verminderde kwaliteit van leven. Tevens werd duidelijk dat co-morbiditeit een negatief effect heeft op het fysiek functioneren van de oudere patiënt en dit was groter naarmate de betreffende aandoening ernstiger was. Hiervoor zou aandacht moeten zijn voordat tot chemotherapie wordt overgegaan.

C. Miaskowski et al, Distinct physical function profiles in older adults receiving cancer chemotherapy. Journal of Pain and Symptom Management, Vol. 54, Issue 3, p 263–272. doi: http://dx.doi.org/10.1016/j.jpainsymman.2017.07.018.

Deel HOLOS
Facebooktwittermail