De rechter is nu echt aan zet

OPINIE

In een rechtsstaat zou het laatste woord in zaken van leven of dood niet aan een niet rechtsprekend orgaan mogen zijn. Maar precies dat is feitelijk het geval in de Nederlandse euthanasiepraktijk.

In zijn voorwoord bij het jongste jaarverslag van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) maakt coördinerend voorzitter Kohnstamm daarover een behartigenswaardige opmerking. Die commissies zijn in het leven geroepen als zeef tussen euthanaserende arts en strafrechter. Had een arts volgens de toetsingscommissie niet aan de zorgvuldigheidseisen voldaan dan werd de zaak doorgeleid naar het Openbaar Ministerie. Dat gebeurt ook, tot nu toe zo’n tachtig keer. Maar niet één keer is het OM overgegaan tot vervolging. De zeef is in de praktijk een scherm. Nu de interpretatieve ruimte die de euthanasiewet biedt steeds verder wordt ingevuld krijgt dat beleid van horen, zien en zwijgen problematische kanten.

Dat valt te illustreren aan de hand van het jaarverslag. Het aantal meldingen van euthanasie blijft gestaag groeien, maar nog altijd gaat het in verreweg de meeste gevallen (83%) om mensen die de wetgever in 2002 voor ogen stonden: patiënten met kanker of een andere fatale aandoening. Tegelijk neemt echter het aantal meldingen van euthanasie op grond van dementie en ‘stapeling van ouderdomskwalen’ snel toe: zo ongeveer met een derde vergeleken met 2015.

‘Rode lijnen’?
Veel is er te doen geweest over drie gevallen van euthanasie bij diep dementen, waarvan er een als ‘onzorgvuldig’ werd beoordeeld. De toetsingscommissie tilde er zwaar aan dat de patiënte in kwestie voor de euthanasie een kopje koffie met Dormicum had gekregen en bovendien bij het inbrengen van de infuusnaald haar arm had teruggetrokken. Maar zijn dit nu ‘rode lijnen’ in de euthanasiepraktijk? Nota bene, in een vergelijkbaar geval was het toedienen van een slaapmiddel geen belemmering voor het oordeel ‘zorgvuldig’.

Bij alle rumoer over de status van euthanasieverklaringen bij wilsonbekwaamheid blijft een kwestie onderbelicht. De cruciale wettelijke norm ‘ondraaglijk lijden’ sloeg altijd op een actuele toestand. Inmiddels weegt vrees voor verondersteld toekomstig lijden (verpleeghuis, verlies van decorum, vegeteren in luier) zwaar in consultatie- en toetsingspraktijk. Dementerenden en hun naasten willen er op tijd bij zijn.

Onlangs keerde artsenfederatie KNMG zich tegen het idee van een parallelle euthanasiewet voor mensen die hun leven ‘voltooid’ vinden. Onder meer met het argument dat de commissie-Schnabel, die over de problematiek adviseerde, ook al naar voren bracht: bij zulk doodsverlangen spelen ouderdomskwalen vaak een rol en de bestaande wet biedt daarvoor genoeg ruimte.

Dat argument moet in de praktijk wel werken als een aansporing om de wet op een extensieve manier uit te leggen. Artsen en toetsingscommissies opereren in een ‘liberaal’, sommigen zeggen: ‘euthanasiast’, maatschappelijk klimaat. Zoals artsen naar de drempel van hun professionele ethiek worden geduwd, zo worden toetsingscommissies naar de drempel van de wet geduwd.

Artsen betalen juridische zekerheid met normatieve onzekerheid
Nu de toetsingscommissies steeds vaker met complexe casuïstiek te maken hebben klinkt de roep om verdieping van hun deskundigheid. Het driemanschap (arts, ethicus, jurist) zou op afroep moeten kunnen beschikken over psychiatrische en geriatrische expertise. Het instellen van een aparte toetsingscommissie, zoals voorgesteld door hoogleraar gezondheidsrecht Buijsen, is dan niet nodig.

Wat blijft wringen is dat de facto nieuw recht wordt gevormd buiten de rechter om, min of meer op de tast. Terwijl er een goede oplossing is: ook zonder cassatieberoep kan de Hoge Raad zich buigen over rechtsvragen die oordelen van de toetsingscommissie oproepen. De wet biedt de procureur-generaal de mogelijkheid een vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen. Hoogleraar strafrecht Mevis, lid van de commissie-Schnabel, heeft al eens geopperd deze weg in te slaan en Kohnstamm wil hem nu volgen. Het grote voordeel is dat cassatie in het belang der wet geen rechtsgevolgen heeft voor partijen. Artsen hoeven dus niet bang te zijn te worden betrokken in een strafproces. Het voorkomen van zulke beduchtheid is altijd een overwegend argument geweest voor Justitie om op afstand te blijven. Maar artsen ervaren nu dat ze de geboden juridische zekerheid betalen met normatieve onzekerheid.

Peulenschil
Een probleem is wel dat dit buitengewone rechtsmiddel alleen kan worden ingezet als een rechterlijke uitspraak voorligt. En oordelen van toetsingscommissies zijn geen rechterlijke uitspraken. Aanpassing van de wet lijkt dus nodig. Maar is dat geen peulenschil vergeleken met het tot stand brengen van een wet voor gezonde mensen die uit het leven willen stappen?

Jurisprudentie heeft de Nederlandse euthanasiepraktijk gevormd. Nu die zich uitbreidt op manieren die de wetgever vijftien jaar geleden onmogelijk kon voorzien is de rechter opnieuw aan zet.

Jaap Schuurmans

Deel HOLOS
Facebooktwittermail